Over ons
“van der Zwan” is een oude Scheveningse familienaam. Onze familie heeft dan ook deels zijn oorsprong in dit vissersdorp tussen de duinen aan de Noordzeekust. Van hieruit trokken, vaak gedreven door armoede, al in het begin van de vorige eeuw jonge visvrouwen met de trein het land in om vis te verkopen.

Door hun Scheveningse klederdracht moeten ze een opvallende verschijning in het Nederlandse straatbeeld zijn geweest. Maar het was hard werken en de dagen waren lang. De visvrouwen torsten een zwaar juk op hun schouders waaraan de emmers of korven met vis hingen. Zo verging het ook onze tante Jaan (geb.1904). Door het geluk van een goede “negosie” (Schevenings woord voor handel) was ze in staat haar zaakje uit te breiden met de aanschaf van een handkar. Haar man, onze opa Dirk van der Zwan (geb.1899), de man die Al Capone nog gesproken heeft, zat op de grote vaart en was daardoor veel van huis weg. Na de lagere school bereisde hij al de wereldzeeën.
Van Dirk zijn allerlei avonturen in onze familie bekend en hij zou ook zijn blijven varen ware het niet dat hij door een ongeluk op zee bijna de dood vond en voor langere tijd ziek bleef. In 1935 trokken Jaan en Dirk naar Roermond en vestigden zich daar aan de Swalmerstraat op nummer 33. Aan de hand van onderstaande advertentie uit De Nieuwe Koerier van 27 september 1939 blijkt waarnaar ze daarvandaan weer verder verhuisden.
De oorlogsjaren

Tijdens de Tweede Wereldoorlog hadden ze een woonhuis met magazijn aan de Veldstraat nummer 24. Een broer van Dirk, Martien (Tinus) genaamd, was getrouwd met Fien. Martien en Fien kregen in 1940 een zoon die ook de naam Dirk kreeg. Om verwarring te voorkomen werd deze zoon Dik genoemd. Martin moest in de Duitse fabrieken gaan werken en daardoor kwam Fien alleen met haar kind te zitten. Ze moest echter wel voor een inkomen zorgen en zodoende kwam de opvoeding van Dik in handen van tante Jaan en ome Dirk die in feite de pleegouders van Dik werden.
Fien raakte tijdens de oorlog opnieuw in verwachting. Dit keer echter niet van haar man Martin, maar van zijn broer Dirk. De dochter van Dirk die uit deze escapade met Fien in 1944 werd geboren, kreeg de naam Nel. Tijdens een razzia sprong Dirk, die probeerde te ontkomen aan de Duitse bezetter, uit een klein raam op de bovenverdieping en brak daarbij vrijwel alle botten in beide voeten. Na de oorlog in 1946 startten Jaan en Dirk een viswinkel aan de Bakkerstraat op huisnummer 10. De viswinkel werd voornamelijk door Dirk gerund, Jaan ging met haar handkar venten in de Limburgse dorpen.
Na hun vestiging in de Roermondse binnenstad begonnen ze in 1955 een nieuwe viszaak aan de Prins Bernhardstraat in de Roermondse wijk “het Veld”. Na een ernstige brand in hun zaak begin jaren 60 verhuisden ze naar de Heinsbergerweg 66 te Melick. Van hieruit gingen tante Jaan en de jonge Dik venten met hun “ijzeren hond”. Vaak kookte tante Jaan daags van te voren een flinke pan met aardappelen want Dik was een jongen met een gezonde honger.
De Blauwtjes
(de Scheveningse bijnaam voor de familie van der Zwan uit het Zuiden)
Ben van der Zwan is opgegroeid in een gezin van 4 kinderen. 3 jongens en 1 meisje. Ze woonde in Meerssen in het zuiden van Nederland. Vader was groothandelaar en leverde vis aan horeca en aan visboeren. Als 8 jarig jongetje begon Ben zijn eigen karretje te bouwen om hiermee een eigen handeltje te kunnen beginnen. Samen met zijn buurmeisje Miets trok hij met zijn trekkarretje door de straten van Meersen heen. In het begin had hij oud speelgoed en snoepjes bij. Al snel werd het karretje verbouwd zodat er ook potjes vis en augurken mee konden. Ook hiermee trok hij weer langs de deuren. Op dat moment was de visboer Bennie jr geboren.
Verkopen kon hij op jonge leeftijd al goed. Zijn vader deed vissen bakken voor de horeca. Ben ging samen met zijn vader en zijn oudere broer Daan deze bezorgen. Tijdens het bezorgen zag hij de campings die bij Valkenburg lagen. Hij vroeg aan zijn vader om een paar kistjes gebakken vis voor hem te maken zodat hij deze kon gaan verkopen op de campings. Want ja, ook deze mensen moesten eten en daar zag Ben natuurlijk weer een handeltje in. Het jaar erop kon Ben zijn eigen bakfiets kopen. Hier kon natuurlijk meer handel in en zo hoefde hij ook niet meer steeds op en neer te fietsen van Meerssen naar Valkenburg.
Werken en omgaan met mensen daar genoot hij volop van. Studeren was niet voor hem weggelegd, hij vond dat maar verloren tijd. Toen Ben nog net geen 18 jaar oud was kwam hij uiteindelijk met het idee om op de markt in Maastricht te gaan staan op woensdagochtend in de winter. Zo kwamen de centjes ook gelijk binnen en hoefde zijn broer Daan niet meer de hele tijd te bedelen bij de horeca-klanten die nog moesten betalen. Want het gezin had het niet heel breed in deze tijd. Gelukkig was er wel altijd genoeg vis om te eten. Het gezin keek toe hoe Ben naar de markt ging. Ze wisten natuurlijk niet of het wel zin had. Dat bleek wel want hier is ons marktleven ontstaan.
Na 20 jaar was de markt in Valkenburg te klein. Het moest breder aangepakt worden. Stand werken met Paling in Volendamse klederdracht. Daar was goud geld in te verdienen en ze zaten in Zeeland op hem te wachten werd hem verteld. Hij vertrok met de auto vol met handel en na 2 dagen was hij helemaal los verkocht. Het geld was ook verdwenen in gezellige avonden die hij had doorgebracht in Zeeland.
